Dit werk ontstond nog in de tijd dat ik in Arnhem woonde, net na mijn afstuderen. Samen met mijn studievriend Roderick Pieters belandde ik in het gebouw van het oude treinstation, dat zou worden verbouwd nadat het nieuwe NS‑station was geopend. We hadden daar werkruimte, maar we hadden geen idee wat we verder met onszelf moesten. Het was dat lastige moment – de studie is voorbij en je staat met één been in het volwassen leven, terwijl het andere nog in het rijk van dromen blijft hangen.
In onze vrije tijd gingen we vaak naar het nieuw geopende station. We zaten op de bankjes op het perron en aten iets, terwijl we de mensen observeerden die op weg waren naar hun bestemmingen. Sommigen gingen ergens heen, anderen kwamen terug. En wij keken alleen maar. Ik begon toen onbewust de weggegooide kaartjes van de grond te rapen – misschien uit een lichte, onverklaarbare jaloezie dat zij wisten waar ze naartoe gingen, en ik nog niet.
Ik verzamelde er enorm veel. Ik heb er een hele lade vol van. Uit die kaartjes ontstonden hangers – verzamelingen van andermans richtingen, vreemde routes. Vandaag zijn ze voor mij een warme herinnering aan die tijd. In Nederland bestaan zulke kaartjes niet meer, en die Agata die niet wist wat ze verder moest, bestaat ook niet meer.